Home > Het mbo > Begrippenlijst

Begrippen, afkortingen en vaktaal

Klik op het alfabet voor uitleg over verschillende begrippen die in de mbo-sector gebruikt worden.

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

A Naar boven

AKA. Arbeidsmarkt gekwalificeerd assistent is een eenjarige niveau-1-opleiding die is bedoeld om jongeren de ruimte te geven om zich te kunnen oriënteren op een bepaalde sector binnen het beroepsonderwijs. Daarnaast leren de jongeren sociale en arbeidsvaardigheden zoals werkritme en klantencontact.

Aoc. Agrarisch opleidingencentrum.

Assistentenopleiding. Opleidingen in het mbo kennen vier niveaus. De assistentenopleiding is de eerste van de vier kwalificatieniveaus. De opleiding leidt op tot assisterend beroepsoefenaar, die onder leiding van iemand anders eenvoudige werkzaamheden verricht. De opleiding duurt een half jaar tot een jaar en de instroom is drempelloos.

B 

Basisberoepsopleiding. Opleidingen in het mbo kennen vier niveaus. De basisberoepsopleiding is de tweede van de vier kwalificatieniveaus. De opleiding leidt op tot basisberoepsbeoefenaar die zelfstandig praktisch werk moet kunnen verrichten binnen de grenzen van het aangeleerde of door ervaring verkregen technieken. Om aan de opleiding te mogen deelnemen moet men in het bezit zijn van een vmbo-diploma basisberoepsgerichte leerweg. De overheid streeft ernaar dat mensen minimaal een opleiding op niveau 2 succesvol afronden (startkwalificatie).

Benchmark. De branchebrede benchmark levert voor de hele sector informatie over prestaties van de instellingen op verschillende terreinen als toegevoegde waarde (rendement), deelnemersoordeel en financiële prestaties. De benchmark verschaft de instellingen strategische informatie doordat zij hun eigen prestaties kunnen spiegelen aan die van collega-instellingen en aan gegevens van de totale sector.

Beroepsbegeleidende leerweg (bbl). Deze leerweg wordt ook wel aangeduid als werkend leren. Het praktijkgedeelte van deze leerweg beslaat tenminste 610 klokuren, minimaal 200 uur begeleide onderwijstijd en 40 uur moet bestaan uit bpv of begeleide onderwijstijd. Vaak heeft een deelnemer in de bbl een arbeidsovereenkomst met een werkgever. Tussen de school, student en het leerbedrijf wordt een praktijkovereenkomst gesloten.

Beroepscompetentie: zie competentie

Beroepsopleidende leerweg (bol). De bol biedt volledig dagonderwijs met praktijkstages, waarbij het minimum-praktijkdeel per opleiding varieert. Tussen de school, student en het leerbedrijf een praktijkovereenkomst gesloten. In onderstaande tabel staan de minimumeisen qua klokuren.

Per 1-8-2014

bot

bpv

vrij

totaal

bol entree

600

400

1.000

bol 1 jarig

700

250

50

1.000

bol 2-jarig

1.250*

450

300

2.000

bol 3-jarig

1.800*

900

300

3.000

bol 4-jarig

2.350

1.350

300

4.000

*700 uur in eerste jaar

Beroepskolom. De doorloop van deelnemers van primair onderwijs naar de verschillende niveaus van vmbo, naar de verschillende niveaus in het mbo en eventueel naar het hbo.

Beroepscompetentieprofiel (bcp). Een beschrijving van de eisen en kwalificaties waaraan iemand minimaal moet voldoen om als beroepsbeoefenaar te worden gekwalificeerd.

Bpv. Beroepspraktijkvorming: onderwijs in de praktijk van het beroep, dus in een (leer)bedrijf of organisatie. Bij de beroepsopleidende leerweg beslaat de bpv minimaal 20% en maximaal 60% van de opleidingsduur, bij de beroepsbegeleidende leerweg is dit minimaal 60%.
Bpv-begeleider. Beroepskracht uit de mbo-instelling die de student begeleidt en beoordeelt tijdens de beroepspraktijkvorming bij een bedrijf.
Bpv-opleider. Medewerker uit het bedrijf waar de student zijn beroepspraktijkvorming loopt die de student begeleidt en beoordeelt.

Bpv-protocol. De MBO Raad heeft met OCW, SBB, MKB-Nederland en VNO-NCW bindende afspraken gemaakt over de beroepspraktijkvorming. Deze afspraken hebben betrekking op de voorbereiding, begeleiding en uitvoering tijdens de bpv-periode, de beoordeling en evaluatie van de bpv.
Bpv toolbox. Onderwijsinstellingen en leerbedrijven kunnen de bpv toolbox gebruiken voor het vastleggen van regionale en sectorale afspraken rondom de bpv. Ook staan er evidence based voorbeelden, vanuit de praktijk bekeken en beoordeeld op inpasbaarheid, in de toolbox.
Btg. Een bedrijfstak is de verzameling van een aantal verwante opleidingen. De MBO Raad kent per bedrijfstak een eigen overlegstructuur, de zogenaamde bedrijfstakgroep (btg). Een bedrijfstakgroep is een platform voor in- en extern overleg van het scholenveld voor middelbaar beroepsonderwijs voor de afzonderlijke bedrijfstakken.

Burgerschapscompetentie: zie competentie

Bve. Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie.

C 

Centrale examinering. In het mbo komen er centrale examens voor taal en rekenen. De beroepsexamens in het mbo zijn geen centrale examens.  

Competentie. Beroepscompetenties: het geheel van kennis, vaardigheden en attituden om in een bepaalde beroepssituatie adequaat te functioneren. Loopbaancompetenties: het geheel van kennis, vaardigheden en attituden die werkenden nodig hebben om hun loopbaan te ontwikkelen. Burgerschapscompetenties: competenties die mensen nodig hebben voor het maatschappelijk functioneren.

Competentiegericht opleiden. Onderwijs en het bedrijfsleven werken samen aan de ontwikkeling en invoering van een nieuwe kwalificatiestructuur en een nieuwe manier van kennisoverdracht. Competenties vormen het uitgangspunt voor dit nieuwe leren. Een andere manier van opleiden (modern vakmanschap) is nodig om deelnemers voor te bereiden om te werken in een andere en snel veranderende maatschappij.

CREBO-nummer. Elke opleiding van een roc heeft een uniek CREBO-nummer

Cvb. College van bestuur: een orgaan dat de dagelijkse leiding van de mbo-school uitoefent.

D 

Deelkwalificatie. Een combinatie van eindtermen voor een bepaalde beroepsopleiding.

Deelnemer. Iemand die zich met het oog op het gebruik van onderwijsvoorzieningen in de bve laat inschrijven bij een onderwijsinstelling.

Deregulering. Het beleid van de overheid is erop gericht onderwijsinstellingen een grotere beleidsvrijheid te geven in samenhang met minder regelgeving. De onderwijsinstellingen leggen verantwoording af over de besteding van overheidsgelden en de kwaliteit van het onderwijs.

Drievoudige kwalificatie. De bve-sector leidt op voor: - burgerschapscompetenties – beroep - leven lang leren en het in de hand hebben van de eigen loopbaan

Duaal leren. Opleidingsarrangement waarin leren en betaald werken samengaan op basis van een leerarbeidsovereenkomst. Gedualiseerd opleiden betekent een arrangement waarin onbetaalde stages en leeractiviteiten buiten de stageschool op elkaar worden afgestemd

E 

ECVET. Een studiepuntensysteem dat kan worden ingezet om de mobiliteit in Europa van deelnemers te vergroten. ECVET is een activiteit binnen EfVET

Educatie en inburgering. Voor volwassenen vanaf 18 jaar die door omstandigheden niet de mogelijkheid hebben om zichzelf te ontplooien, biedt de volwasseneneducatie verschillende programma’s zoals cursussen sociale redzaamheid en alfabetiseringscursussen. Volwassenen die op latere leeftijd een vmbo-, havo- of vwo-diploma willen behalen, kunnen ook terecht bij educatie. Daarnaast verzorgt de volwasseneneducatie inburgeringscursussen.

Eindtermen. Omschreven kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden en beroepshoudingen, waarover degene die de opleiding voltooit, dient te beschikken.

Elo. Elektronische leeromgeving.: leren met behulp van softwarepakketten, of een virtuele ruimte waarin de deelnemer leert.

Erkende leerbedrijven. De Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) heeft als taak de leerbedrijven te controleren op de kwaliteit van de opleidingsfaciliteiten. Deze activiteit wordt erkenning genoemd.

EQF. European Qualification Framework is een raamwerk om beroepskwalificaties op Europees niveau vergelijk te maken

Examenprofiel .Examenprofiel is de naam van het landelijk project Examenprofiel, en de uitkomsten ervan, dat gericht is op harmoniseren van de examenpraktijk in het mbo. Met het Examenprofiel wil het onderwijs laten zien hoe er in Nederland in het mbo wordt geëxamineerd, wie er bij examinering betrokken zijn en welke afspraken er zijn gemaakt. Het profiel krijgt op verschillende manieren vorm. Van een procesbeschrijving op landelijk en sectoraal niveau tot een gedetailleerde beschrijving van de manier van examineren in de beroepspraktijk van alledag. Dit alles in samenhang opgesteld voor het gehele mbo.

Examenreglement. In het Examenreglement staan de regels beschreven volgens welke het hele examenproces (van inschrijving voor een examenonderdeel tot en met diplomering) wordt geregeld. Het college van bestuur van een mbo-instelling stelt het examenreglement vast.

Europass. Een portfolio-paspoort om de mobiliteit van werknemers en studenten binnen de EU te vergroten.

EVC. Erkenning van eerder verworven competenties: bij de vooropleidingseisen wordt rekening gehouden met de formele vooropleidingseisen, maar ook met op andere wijze verkregen competenties, zoals leer- en werkervaring.
Examinering. Examinering is het beoordelen of een kandidaat over bepaalde kennis of kunde beschikt, en het bij een positieve uitkomst certificeren daarvan. De beoordeling en certificering vinden plaats aan de hand van competentiebewijzen van de kandidaat die worden afgezet tegen een bepaalde standaard. De beroepsexamens zijn geen centrale examens. Alleen voor taal en rekenen komen centrale examens.

F

G 

Governance. Integer en transparant handelen door overheidsorganisaties en bestuurders en het organiseren van toezicht hierop. Belangrijke vragen hierbij zijn hoe het bestuur van de instelling verantwoording aflegt over de besteding van publieke gelden en de behaalde resultaten en aan wie verantwoording wordt afgelegd.

Governancecode Bve. De afspraak die leden van de MBO Raad hebben gemaakt over professioneel bestuur, onafhankelijk intern toezicht, dialoog met de omgeving en verantwoording over geleverde prestaties.

Groen onderwijs. Onderwijs in de groene sector in de vakrichtingen landbouw, natuurlijke omgeving en levensmiddelentechnologie.

Grijze golf. Met de grijze golf wordt geduid op de ontgroening en vergrijzing van het personeelsbestand in de bve-instellingen.

H 

Hbo. Hoger beroepsonderwijs

I 

Initieel onderwijs. Onderwijs dat kinderen volgen vanaf het moment dat ze leerplichtig worden tot het moment dat zij de arbeidsmarkt opgaan. Het onderwijs dat later kan worden gevolgd als uitbreiding van het initieel onderwijs wordt post-initieel onderwijs genoemd.

Innovatieregisseurs. Elke instelling innoveert op haar eigen manier en naar eigen inzicht. Het project Innovatieregisseurs beoogt instellingen te ondersteunen bij de innovatie in de eigen instelling. Het doel van het project is professionele regie van innovatie binnen de instellingen te waarborgen.

IPB. Integraal Personeelsbeleid

J 

JOB-monitor. Tweejaarlijke enquête naar deelnemerstevredenheid onder deelnemers van bve-instellingen, uitgevoerd door de Jongerenorganisatie Beroepsonderwijs (JOB). Het onderzoek wordt uitgevoerd met subsidie van het ministerie van OCW.

K 

Kerntaak. Een kerntaak is een substantieel deel van de beroepsuitoefening naar belang, omvang (tijdsbeslag of frequentie) of beide. Een kerntaak bestaat uit een geheel van inhoudelijk met elkaar samenhangende werkprocessen, kenmerkend voor de beroepsuitoefening. Een kwalificatiedossier heeft een beperkt aantal kerntaken. Alle kerntaken samen beschrijven de essentie van de beroepsuitoefening van de betreffende beroepengroep.
Kwalificatiedossier. Set van verschillende kerntaken, werkprocessen en competenties die samen een opleiding vormgeven en waar een diploma aan vast hangt.  

Kwalificatiestructuur, zie niveau

Kwalificatiewinst. Als meer deelnemers met een diploma de opleiding verlaten óf als meer deelnemers van het mbo doorstromen naar het hbo, spreekt men van kwalificatiewinst.

L 

Leerbedrijf. Bedrijf waarin een deelnemer de beroepspraktijkvorming volgt. De kenniscentra Onderwijs Bedrijfsleven dragen zorg voor de regelmatige beoordeling van de leerbedrijven.
Leerwerkplek. De daadwerkelijke plaats waar de beroepspraktijkvorming plaatsvindt.
Leren, Loopbaan, Burgerschap (LLB). Het mbo kent een drievoudige kwalificering: leren, loopbaan en burgerschap. Jongeren, volwassenen, werknemers, werkzoekenden, inburgeraars en herintreders worden opgeleid voor een beroep, een vervolgopleiding en tot burgers die volwaardig deelnemen aan de maatschappij.

Leven lang leren. Met deze term wordt bedoeld dat het tegenwoordig noodzakelijk is om gedurende het hele leven te blijven leren.

LOB. Loopbaan Oriëntatie en Begeleiding. Doel van LOB is de studenten na te laten denken over hun studie- en beroepskeuze.

Loopbaancompetentie: zie competentie

M 

Mbo. Middelbaar beroepsonderwijs

Middelbaar beroepsonderwijs. Het beroepsonderwijs dat aansluit op het vmbo en voorbereidt op een beroepskwalificatie.

Middenkaderopleiding. Opleidingen in het mbo kennen vier niveaus. De middenkaderopleiding is de vierde van de vier kwalificatieniveaus (samen met de specialistenopleiding). De opleiding leidt op tot middenkaderfunctionaris en duurt 3-4 jaar. Voor de opleiding tot middenkaderfunctionaris moet een diploma voor de theoretische leerweg, de gemengde leerweg of de kaderberoepsgerichte leerweg zijn behaald. Ook met een mbo-diploma voor een basisberoepsopleiding of een overgangsbewijs van 3 naar 4 havo of vwo kan een deelnemer een middenkaderopleiding gaan volgen.

N 

Niveau. De mbo-instellingen bieden onderwijs aan op vier niveaus, niveau 1 tot en met 4. Op niveau 1 worden assistentopleidingen aangeboden, op niveau 2 de basisberoepsopleidingen. Een niveau-3-opleiding is een vakopleiding en een niveau-4-opleiding is een middenkaderopleiding of specialistenopleiding.

NT2. Nederlands als tweede taal.

O 

Onderwijsnummer. Met behulp van het onderwijsnummer kan de individuele onderwijsloopbaan van deelnemers worden gevolgd, ook wanneer zij die tussentijds onderbreken
Opleidingsdomeinen. De zestien opleidingsdomeinen bestaan uit clusters van verwante kwalificatiedossiers. Deze clustering is gebaseerd op het werkelijke switchgedrag van mbo-studenten. Mbo-studenten kunnen instromen in een opleidingsdomein in plaats van direct voor één kwalificatiedossier te kiezen. Streven is om de opleidingsdomeinen in 2011 in te voeren.

P 
Passend onderwijs. Passend onderwijs staat voor maatwerk in het onderwijs. Voor elk kind en iedere jongere onderwijs dat aansluit bij zijn of haar mogelijkheden en talenten. Ook de kinderen met een stoornis, ernstige ziekte of handicap. Zij kunnen extra hulp krijgen op een reguliere school of op een school voor speciaal onderwijs. Om te garanderen dat alle leerlingen onderwijs krijgen dat bij hen past, wordt per 1 augustus 2012 de zorgplicht ingevoerd. Scholen en schoolbesturen worden dan verplicht te zorgen voor een passende onderwijsplek en passend onderwijs voor elke leerling.

Portfolio. Gevalideerde verzameling van bewijsstukken van verworven competenties op individueel niveau.

Post-initieel onderwijs. Onderwijs dat kinderen volgen vanaf het moment dat ze leerplichtig worden tot het moment dat zij de arbeidsmarkt opgaan. Het onderwijs dat later kan worden gevolgd als uitbreiding van het initieel onderwijs wordt post-initieel onderwijs genoemd.
Praktijkopleider. Begeleider op de leerwerkplek.
Praktijkovereenkomst. Deze overeenkomst bevat de afspraken over de stage zoals deze vastgelegd zijn tussen student, school en leerbedrijf. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om afspraken over de begeleiding en beoordeling.
Proeve van bekwaamheid. Een kwalificerende beoordeling in een realistische context (authentiek of simulatie) waarbij de deelnemer kan aantonen dat hij kerntaken met bijbehorende werkprocessen op het vereiste beheersingsniveau (beginnend beroepsbeoefenaar), in samenhang en op de juiste wijze uitvoert. Kenmerkend is het geïntegreerd beoordelen van kennis, houding en vaardigheden (competentiegericht).
Prof2010. Prof2010 ondersteunt mbo-instellingen bij de professionalisering van medewerkers in de bve-sector.
Professioneel Statuut. De MBO Raad en de onderwijsvakorganisaties zijn een Professioneel Statuut overeengekomen. Het statuut richt zich op de permanente verbetering van de professionaliteit van het personeel in de mbo-sector. Daarnaast wordt de betrokkenheid van docenten bij het beleid in de instelling versterkt door een aantal extra advies- en instemmingsbevoegdheden toe te kennen aan de ondernemingsraad. Deze betrokkenheid wordt extra geborgd door afspraken binnen de instellingen over het werkoverleg. Met het Professioneel Statuut worden ook de afspraken uit het Convenant Aktieplan Leerkracht geconcretiseerd om de professionele ruimte van de docent te waarborgen.

Q 

R 

Raad van toezicht. Orgaan, verbonden aan een onderwijsinstelling, met als taak toezicht te houden op het beleid van het college van bestuur van de instelling en dit college met raad ter zijde te staan.

Referentieniveaus taal en rekenen. Met zogenaamde referentieniveaus worden voor alle onderwijsniveaus de eisen voor taal en rekenen vastgesteld. Op vier momenten in de schoolloopbaan van leerlingen zijn referentiebeschrijvingen opgesteld. Voor elk moment is een fundamenteel niveau geformuleerd (F dat haalbaar wordt geacht voor het merendeel van de leerlingen) en een streefniveau (S dat gericht is op de leerlingen/studenten die meer aankunnen). Studenten die in 2013-2014 examen doen, krijgen voor het eerst te maken met de referentieniveaus.

Res Integra. Reducing early school leaving by integrated approach: een project waarin scholen en organisaties uit zes Europese landen samenwerken om het voortijdig schoolverlaten in het beroepsonderwijs terug te dringen. Kern van het project is het uitwisselen van good practices tussen de landen.

Roc. Regionaal opleidingencentrum. Onderwijsinstelling die middelbaar beroepsonderwijs en educatie verzorgt.

Roc-i-partners. Een platform van ict-managers van bve-instellingen waarin informatie op het gebied van ict wordt uitgewisseld. Daarnaast informeert het platform de colleges van bestuur over relevante ontwikkelingen op ict-gebied. Het platform ontwikkelt ook kwaliteitsstandaarden voor het ict-gebruik en onderhandelt met bedrijven over de kwaliteit en leveringsvoorwaarden van ict-producten.

S 

School ex. Met het School ex programma wordt gestimuleerd dat examenkandidaten in het middelbaar beroepsonderwijs na het behalen van hun diploma een jaar langer doorleren om jeugdwerkloosheid te voorkómen en hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Daarnaast is het doel om gediplomeerde deelnemers die besluiten niet door te leren en die nog geen baan hebben, door te geleiden naar het UWV WERKbedrijf voor ondersteuning bij het vinden van een baan.
Specialistenopleiding. Opleidingen in het mbo kennen vier niveaus. De specialistenopleiding is de vierde van de vier kwalificatieniveaus (samen met de middenkaderopleiding). Om een specialistenopleiding te kunnen volgen, moet met goed gevolg een vakopleiding (niveau 3, 2-4 jaar) zijn gevolgd. De specialistenopleiding duurt dan nog 1-2 jaar.
Simulatie. Geprepareerde examenomgeving, bijvoorbeeld in een praktijklokaal op school. Deze omgeving is een simulatie binnen omstandigheden zoals in de beroepspraktijk, maar die door manipulatie (bijv. een opzettelijk gecreëerde storing, of de inzet van acteurs) afwijkt van de beroepspraktijk in de BPV, die aan de wetten van het toeval voldoet.
Stage. Zie bpv (beroepspraktijkvorming).

Startkwalificatie. Het minimale niveau dat nodig is om voldoende toegerust de arbeidsmarkt te betreden en om zich gedurende de beroepsloopbaan verder te kunnen ontwikkelen. Dit niveau komt overeen met het niveau van degenen die een basisberoepsopleiding (niveau 2) hebben gevolgd bij een mbo-school.

T 

U 

V 

Het Vakcollege. De opleiding van een vakcollege is een leerroute binnen het vmbo en mbo, waarbij een student in zes jaar een diploma op mbo-2 behaalt. De student wordt opgeleid tot vakman of vakvrouw met een stevig accent op de praktijk en een nauwe verbinding met het bedrijfsleven.
Vakopleiding. Opleidingen in het mbo kennen vier niveaus. De vakopleiding is de derde van de vier kwalificatieniveaus. De opleiding leidt op tot zelfstandig beroepsbeoefenaar en duurt 2-4 jaar. Voor de opleiding moet een diploma voor de theoretische leerweg, de gemengde leerweg of de kaderberoepsgerichte leerweg of soms de basisberoepsgerichte leerweg zijn behaald. Ook is het mogelijk de opleiding te doen als een mbo-diploma op niveau 2 (basisberoepsbeoefenaar) succesvol is afgerond of als men een overgangsbewijs heeft van 3 naar 4 havo of vwo.
Vakscholen/vakinstellingen richten zich op het opleidingenaanbod voor één specifiek beroepenveld binnen één sector uit het middelbaar beroepsonderwijs zoals de scheepvaart en transport, de grafische- en designsector of de voedingsindustrie.
VM2. Experiment in het kader van de leergang vmbo-mbo2. In VM2 wordt de bovenbouw van de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo samengevoegd met een opleiding op mbo-niveau2.

Vmbo. Voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs. De term geeft aan dat scholen voor vmbo en/of mavo voorbereiden op een opleiding in het mbo.

Voortijdig schoolverlaten. Het niet behalen van een startkwalificatie, het minimale niveau dat nodig is om voldoende toegerust de arbeidsmarkt te betreden.

W
WEB. Wet educatie en beroepsonderwijs: regelt het middelbaar beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie.
Werkveldcommissie. Een werkveldcommissie is een commissie met een niet-wettelijke taak waarbij het bedrijfsleven, de kenniscentra en de instelling bij elkaar komen om onderwerpen die de opleiding aangaan te bespreken, zoals de inhoud van de opleiding, de instrumenten voor examinering en de instrumenten voor begeleiding van deelnemers.
WOT. Wet op het Onderwijstoezicht.

X 

Y 

Z 

Zorgadviesteam. In een Zorgadviesteam, ook wel Zorg- en adviesteam of ZAT genoemd, werken diverse zorgverleners in en om de school samen om te zorgen dat elke jongere een diploma haalt.

top