Home > Het mbo > Begrippenlijst

Begrippen, afkortingen en vaktaal

Klik op het alfabet voor uitleg over verschillende begrippen die in de mbo-sector gebruikt worden.

A B C D E F G H I J K L M N O P Q R S T U V W X Y Z

A Naar boven

Aoc. Agrarisch opleidingencentrum. Aoc's verzorgen de opleidingen op het gebied van voeding, natuur en milieu. Deze zogeheten 'groene opleidingen' hebben vaak een afdeling vmbo en nauwe banden met het hoger agrarisch onderwijs.

B 

Basisberoepsopleiding. Opleidingen in het mbo kennen vier niveaus. De basisberoepsopleiding is de tweede van de vier kwalificatieniveaus. De opleiding leidt op tot basisberoepsbeoefenaar die zelfstandig praktisch werk moet kunnen verrichten binnen de grenzen van het aangeleerde of door ervaring verkregen technieken. Om aan de opleiding te mogen deelnemen moet men in het bezit zijn van een vmbo-diploma basisberoepsgerichte leerweg. De overheid streeft ernaar dat mensen minimaal een opleiding op niveau 2 succesvol afronden (startkwalificatie).

Basisdeel. Onderdeel van de herziene kwalificatiedossiers (vanaf 1 augustus 2016). Het basisdeel is het deel van het kwalificatiedossier waarin het gemeenschappelijke van de kwalificaties in het kwalificatiedossier beschreven staat. De basis bestaat uit een generiek deel (Nederlands, rekenen, Loopbaan en Burgerschap en voor niveau 4 ook Engels) en een beroepsspecifiek deel (kerntaken, vakkennis, vaardigheden en houdingsaspecten die alle beginnende beroepsbeoefenaren in het betreffende werkveld delen). In het basisdeel kunnen ook aanvullende eisen per kwalificatie zijn opgenomen.

Begeleide onderwijstijd (bot). Onder bot vallen onderwijsactiviteiten die een school geeft onder verantwoordelijkheid en met actieve betrokkenheid van onderwijspersoneel. Bot betekent opgenomen in het opleidingsplan/-programma. Voor bot kan een school aangegeven wat een student moet leren, hoe de begeleiding plaatsvindt en hoe de school evalueert/beoordeelt.

Bekostigde mbo-scholen. Alle bekostigde mbo-scholen leiden op voor erkende mbo-diploma’s op basis van kwalificatiedossiers. Dit zijn wettelijk vastgestelde documenten waarin diploma-eisen staan. Wat een student aan het einde van zijn opleiding moet kennen en kunnen staat in een kwalificatiedossier. Vertegenwoordigers van het onderwijs en bedrijfsleven stellen deze dossiers op. De Inspectie van het Onderwijs controleert of de scholen aan de kwaliteitseisen voldoen. De MBO Raad is de branchevereniging van alle bekostigde mbo-scholen. Zie ook niet-bekostigde mbo-scholen.

Benchmark. De benchmark sectorinformatie over prestaties van de mbo-scholen: hoe de mbo-scholen hun budget besteden (financiële prestaties), hoeveel deelnemers het mbo gediplomeerd verlaten (studiesucces), wat de deelnemers vinden van het onderwijs (deelnemersoordeel) en hoe medewerkers over hun werkgever denken (medewerkerstevredenheid). De benchmark verschaft de scholen strategische informatie doordat zij hun eigen prestaties kunnen spiegelen aan die van collega-scholen en van de totale sector.

Beroepsbegeleidende leerweg (bbl). Deze leerweg wordt ook wel aangeduid als werkend leren. Het praktijkgedeelte beslaat tenminste 610 klokuren, minimaal 200 uur begeleide onderwijstijd en 40 uur bpv of begeleide onderwijstijd. Vaak heeft een deelnemer in de bbl een arbeidsovereenkomst met een werkgever. Tussen de school, student en het leerbedrijf wordt een praktijkovereenkomst gesloten.

Beroepscompetentie: zie competentie

Beroepsgerichte kwalificatiestructuur. Diplomastructuur in het mbo die gericht is op het verwerven van kennis, vaardigheden en houding, benodigd voor de uitoefening van het beroep, het functioneren in de maatschappij en de doorstroom naar een hoger onderwijsniveau (in mbo of hbo). Zie ook kwalificatiestructuur en herziening kwalificatiestructuur.

Beroepsopleidende leerweg (bol). De bol biedt volledig dagonderwijs met praktijkstages, waarbij het minimumpraktijkdeel per opleiding varieert. Tussen de school, student en het leerbedrijf wordt een praktijkovereenkomst gesloten. In onderstaande tabel staan de minimumeisen qua klokuren.

Per 1-8-2014

bot

bpv

vrij

totaal

bol entree

600

400

1.000

bol 1 jarig

700

250

50

1.000

bol 2-jarig

1.250*

450

300

2.000

bol 3-jarig

1.800*

900

300

3.000

bol 4-jarig

2.350

1.350

300

4.000

*700 uur in eerste jaar

Beroepskolom. De doorloop van deelnemers van primair onderwijs naar de verschillende niveaus van vmbo, naar de verschillende niveaus in het mbo en eventueel naar het hbo.

Beroepscompetentieprofiel (bcp). Een beschrijving van de eisen en kwalificaties waaraan iemand minimaal moet voldoen om als beroepsbeoefenaar te worden gekwalificeerd.

Bpv. Beroepspraktijkvorming: onderwijs in de praktijk van het beroep, dus in een (leer)bedrijf of organisatie. Zie beroepsbegeleidende en beroepsopleidende leerweg voor meer informatie over de bpv in beide leerwegen. 

Bpv-begeleider. Beroepskracht uit de mbo-school die de student begeleidt en beoordeelt tijdens de beroepspraktijkvorming bij een bedrijf.

Bpv-opleider. Medewerker uit het bedrijf waar de student zijn beroepspraktijkvorming loopt die de student begeleidt en beoordeelt.

Bpv-protocol. De MBO Raad heeft met OCW, SBB, MKB-Nederland en VNO-NCW bindende afspraken gemaakt over de beroepspraktijkvorming. Deze gaan over de voorbereiding, begeleiding en uitvoering tijdens de bpv-periode, de beoordeling en evaluatie van de bpv.

Bpv toolbox. Mbo-scholen en leerbedrijven kunnen de bpv toolbox gebruiken voor het vastleggen van regionale en sectorale afspraken rondom de bpv. Ook staan er evidence based voorbeelden in, vanuit de praktijk bekeken en beoordeeld op inpasbaarheid.

Branchecode goed bestuur in het mbo. De afspraak die de leden van de MBO Raad hebben gemaakt over principes en uitgangspunten, verantwoordelijkheden van colleges van bestuur, aanbevelingen aan raden van toezicht en verenigingsafspraken over monitoring, evaluatie, handhaving en klachten.

Btg (bedrijfstakgroep). Een bedrijfstak is een verzameling van een aantal verwante opleidingen. De MBO Raad kent per bedrijfstak een eigen overlegstructuur, de zogenoemde bedrijfstakgroep (btg). Een bedrijfstakgroep is een platform voor in- en extern overleg van het scholenveld voor middelbaar beroepsonderwijs voor de afzonderlijke bedrijfstakken. De btg's hebben een directe verbinding met de sectorkamers bij SBB.
Burgerschapscompetentie: zie competentie

Bve. Beroepsonderwijs en volwasseneneducatie.

C 

Centrale examinering. In het mbo komen er centrale examens voor taal, rekenen en Engels (niveau 4). De beroepsexamens in het mbo zijn geen centrale examens.  

Cohort. Groep examenkandidaten die op basis van hetzelfde kwalificatiedossier staat ingeschreven en hetzelfde examenplan volgt.

Competentie. Beroepscompetenties: het geheel van kennis, vaardigheden en attituden om in een bepaalde beroepssituatie adequaat te functioneren. Loopbaancompetenties: het geheel van kennis, vaardigheden en attituden die werkenden nodig hebben om hun loopbaan te ontwikkelen. Burgerschapscompetenties: competenties die mensen nodig hebben voor het maatschappelijk functioneren.

Crebo-nummer. Elke opleiding van een mbo-school heeft een uniek crebo-nummer. Crebo staat voor centraal register beroepsopleidingen.  

Cvb. College van bestuur (bevoegd gezag): een orgaan dat de dagelijkse leiding van de mbo-school uitoefent.

D 

Deelkwalificatie. Een combinatie van eindtermen voor een bepaalde beroepsopleiding.

Deregulering. Het beleid van de overheid is erop gericht onderwijsinstellingen een grotere beleidsvrijheid te geven in samenhang met minder regelgeving. De onderwijsinstellingen leggen verantwoording af over de besteding van overheidsgelden en de kwaliteit van het onderwijs.

Diploma. Wettelijk erkend document dat aantoont en vastlegt dat de eigenaar een omschreven kwalificatie voldoende beheerst.

Diplomamodel. Wettelijk vastgestelde vormgeving van het mbo-diploma zoals beschreven in de regeling Modeldiploma mbo. 

Drievoudige kwalificatie. De mbo-sector leidt op voor: burgerschapscompetenties, beroep, leven lang leren en het in de hand hebben van de eigen loopbaan

Duaal leren. Opleidingsarrangement waarin leren en betaald werken samengaan op basis van een leerarbeidsovereenkomst. Gedualiseerd opleiden betekent een arrangement waarin onbetaalde stages en leeractiviteiten buiten de stageschool op elkaar worden afgestemd

E 

ECVET (European Credits for Vocational Education and Training). Een studiepuntensysteem dat kan worden ingezet om de mobiliteit in Europa van deelnemers te vergroten. ECVET is een activiteit binnen EfVET (European Forum of Technical and Vocational Education and Training).

Edison. Europees project dat zich richt op het bevorderen van ondernemerschap en het trainen van ondernemendheid.  

Educatie en inburgering. Voor volwassenen vanaf achttien jaar die door omstandigheden niet de mogelijkheid hebben om zichzelf te ontplooien, biedt de volwasseneneducatie cursussen inburgering en cursussen in het kader van taal, rekenen en digitale vaardigheden. Volwassenen die op latere leeftijd een vmbo-, havo- of vwo-diploma willen behalen, kunnen terecht bij het voortgezet algemeen volwassenen onderwijs.

Eindtermen. Omschreven kwaliteiten op het gebied van kennis, inzicht, vaardigheden en beroepshoudingen, waarover degene die de opleiding voltooit, moet beschikken.

Elo. Elektronische leeromgeving: leren met softwarepakketten, of een virtuele ruimte waarin de deelnemer leert.

Entreeopleiding. De entreeopleiding is per 1 augustus 2014 in plaats van de AKA- en niveau 1-opleidingen gekomen. Deelnemers die geen vmbo-diploma hebben, niet toelaatbaar zijn tot een mbo-opleiding op niveau 2, 3 of 4 en op 1 augustus zestien jaar of ouder zijn, kunnen een entreeopleiding doen. Entreeopleidingen hebben een tweeledig doel: doorstroom naar niveau 2 of doorstroom naar de arbeidsmarkt.

Erkende leerbedrijven. De Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven (SBB) heeft als taak de leerbedrijven te controleren op de kwaliteit van de opleidingsfaciliteiten. Deze activiteit wordt erkenning genoemd.

EQF. European Qualification Framework is een raamwerk om beroepskwalificaties op Europees niveau te vergelijken.

Examenprofiel. Met het Examenprofiel wil het onderwijs laten zien hoe er in Nederland in het mbo wordt geëxamineerd, wie er bij examinering betrokken zijn en welke afspraken er zijn gemaakt. Het profiel krijgt op verschillende manieren vorm. Van een procesbeschrijving op landelijk en sectoraal niveau tot een gedetailleerde beschrijving van de manier van examineren in de beroepspraktijk van alledag. Dit alles in samenhang opgesteld voor het gehele mbo.

Examenreglement. Formeel vastgelegde regels en afspraken die gelden voor de examinering en diplomering (over bijvoorbeeld fraude, herkansing, bewaartermijnen en het indienen van een beroep). Het is een juridisch kader dat voor elke student de transparantie en de betrouwbaarheid van het examenproces waarborgt. Het examenreglement moet bekend zijn bij de student en kenbaar gemaakt worden aan de direct betrokkenen.

Europass. Een portfoliopaspoort om de mobiliteit van werknemers en studenten binnen de EU te vergroten.

EVC. Erkenning van eerder verworven competenties: bij de vooropleidingseisen wordt rekening gehouden met de formele vooropleidingseisen, maar ook met op andere wijze verkregen competenties, zoals leer- en werkervaring.

Examinering. Examinering is het beoordelen of een kandidaat over bepaalde kennis of kunde beschikt, en het bij een positieve uitkomst certificeren daarvan. De beoordeling en certificering vinden plaats aan de hand van competentiebewijzen van de kandidaat die worden afgezet tegen een bepaalde standaard. De beroepsexamens zijn geen centrale examens. Alleen voor taal en rekenen komen centrale examens. Zie voor meer begrippen op het gebied van examinering de begrippenlijst van het Servicepunt examinering mbo.

F

G 

Geïntegreerd Jaardocument (GJ). Ieder jaar leggen mbo-scholen verantwoording af. Dat doen zij onder andere via het GJ. Dit is een combinatie van het jaarverslag, de jaarrekening, het bestuursverslag en de prestatiebox.

Gezonde School. Een Gezonde School is een school die op een structurele en planmatige manier werkt aan de gezondheid van studenten en medewerkers. Deze school heeft het vignet Gezonde School.

Gezond Schoolplein. Op een Gezond Schoolplein krijgen jongeren de ruimte om te bewegen in een uitdagende, groene en rookvrije omgeving.

Governance. Integer en transparant handelen door overheidsorganisaties en bestuurders en het organiseren van toezicht hierop. Belangrijke vragen hierbij zijn hoe het bestuur van de mbo-school verantwoording aflegt over de besteding van publieke gelden en de behaalde resultaten en aan wie zij verantwoording aflevert.

Groen onderwijs. Onderwijs in de groene sector in de vakrichtingen landbouw, natuurlijke omgeving en levensmiddelentechnologie.

Grijze golf. Met de grijze golf wordt geduid op de ontgroening en vergrijzing van het personeelsbestand in de mbo-scholen.

H 

Hbo. Hoger beroepsonderwijs

Herziening kwalificatiestructuur. Alle mbo-opleidingen veranderen per 1 augustus 2016. Er komen minder kwalificatiedossiers en kwalificaties, de kwalificatiedossiers worden dunner en overzichtelijker en het onderwijs wordt flexibeler zodat opleidingen sneller kunnen worden aangepast. Zie ook basis-, profiel- en keuzedeel. Zie voor meer begrippen op het gebied van de (herziening van de) kwalificatiestructuur de begrippenlijst van Herziening MBO.  

I 

Initieel onderwijs. Onderwijs dat kinderen volgen vanaf het moment dat ze leerplichtig worden tot het moment dat zij de arbeidsmarkt opgaan. Het onderwijs dat later kan worden gevolgd als uitbreiding hierop wordt post-initieel onderwijs genoemd.

IPB. Integraal Personeelsbeleid

J 

JOB-monitor. Tweejaarlijkse enquête naar deelnemerstevredenheid onder studenten van mbo-scholen, uitgevoerd door de Jongerenorganisatie Beroepsonderwijs (JOB) met subsidie van het ministerie van OCW.

K 

Kerntaak. Een kerntaak is een substantieel deel van de beroepsuitoefening naar belang, omvang (tijdsbeslag of frequentie) of beide. Een kerntaak bestaat uit een geheel van inhoudelijk met elkaar samenhangende werkprocessen, kenmerkend voor de beroepsuitoefening. Een kwalificatiedossier heeft een beperkt aantal kerntaken. Alle kerntaken samen beschrijven de essentie van de beroepsuitoefening van de betreffende beroepengroep.

Keuzedeel. Onderdeel van de herziene kwalificatiedossiers (vanaf 1 augustus 2016). Een onderdeel van de beroepsopleiding dat naast de kwalificatie staat. De kwalificatie bestaat uit een basis- en profieldeel. Keuzedelen zijn een verrijking van de kwalificatie en kunnen voor de student verbredend of verdiepend zijn of bijdragen aan een betere doorstroom naar een vervolgopleiding. Alleen bij entreeopleidingen mag een keuzedeel ook remediërend zijn.

Kwalificatiedossier. Set van verschillende kerntaken, werkprocessen en competenties die samen een opleiding vormgeven en waar een diploma aan vast hangt.  

Kwalificatiestructuur. Wat een student aan het einde van een mbo-opleiding moet kennen en kunnen staat in een kwalificatiedossier. Een kwalificatiedossier bevat een of meerdere kwalificaties rondom een bepaalde beroepengroep en kan tot net zo veel mbo-diploma’s leiden. Op basis van deze kwalificatiedossiers maken mbo-scholen hun onderwijsprogramma’s. Alle kwalificaties samen vormen de kwalificatiestructuur. Deze verandert vanaf 1 augustus 2016. Zie ook herziening kwalificatiestructuur. Zie voor meer begrippen op het gebied van de (herziening van de) kwalificatiestructuur de begrippenlijst van Herziening MBO.  

Kwalificatiewinst. Als meer studenten met een diploma de opleiding verlaten óf als meer studenten van het mbo doorstromen naar het hbo, spreekt men van kwalificatiewinst.

L 

Leerbedrijf. Bedrijf waarin een student de beroepspraktijkvorming volgt. De Samenwerkingsorganisatie Beroepsonderwijs Bedrijfsleven zorgt voor de regelmatige beoordeling (erkenning) van de leerbedrijven.

Leerwerkplek. De daadwerkelijke plaats waar de beroepspraktijkvorming plaatsvindt.

Loopbaan en Burgerschap (L&B). Het mbo kent een drievoudige kwalificering: leren, loopbaan en burgerschap. Mbo-scholen leiden op voor een beroep, een vervolgopleiding en tot burgers die volwaardig deelnemen aan de maatschappij.

Leven lang leren. Het is tegenwoordig noodzakelijk om gedurende het hele leven te blijven leren.

LOB. Loopbaan Oriëntatie en Begeleiding. Doel van LOB is de studenten na te laten denken over hun studie- en beroepskeuze.

Loopbaancompetentie: zie competentie

M 

Marktsegment. Marktsegmenten vormen de onderstructuur van de sectorkamers van SBB. Zo'n marktsegment kan worden ingericht rond verwante opleidingsclusters of thema’s binnen een sector. Marktsegmenten zijn paritair ingericht (onderwijs en sociale partners).

Mbo. Middelbaar beroepsonderwijs: het beroepsonderwijs dat aansluit op het vmbo en voorbereidt op een beroepskwalificatie of een hbo-opleiding.

MBO Stad. Website die vmbo-leerlingen en mbo-studenten helpt bij het oriënteren op opleidingsmogelijkheden in het mbo.

MBO Transparant. Website met onderwijsresultaten van mbo-scholen. De site brengt in beeld hoe scholen presteren op een aantal belangrijke indicatoren, zoals voortijdig schoolverlaten, diplomaresultaat en studenttevredenheid. 

Middenkaderopleiding. Opleidingen in het mbo kennen vier niveaus. De middenkaderopleiding is de vierde van de vier kwalificatieniveaus (samen met de specialistenopleiding). De opleiding leidt op tot middenkaderfunctionaris en duurt 3-4 jaar. Voor de opleiding tot middenkaderfunctionaris moet een vmbo-diploma voor de theoretische leerweg, de gemengde leerweg of de kaderberoepsgerichte leerweg zijn behaald. Ook met een mbo-diploma voor een basisberoepsopleiding of een overgangsbewijs van 3 naar 4 havo of vwo kan een deelnemer een middenkaderopleiding gaan volgen.

N 

Niet-bekostigde mbo-scholen. Niet-bekostigde (particuliere) scholen krijgen geen financiering van het ministerie van OCW. De niet-bekostigde scholen die diploma-erkenning hebben verkregen op grond van artikel 1.4.1. van de Wet educatie en beroepsonderwijs en daarbij zijn aangemeld in het crebo, mogen ook de erkende diploma’s uitreiken voor hun geregistreerde beroepsopleidingen. Deze moeten aan dezelfde eisen voldoen als bekostigde opleidingen. De Inspectie van het Onderwijs controleert de kwaliteit. De NRTO is de brancheorganisatie voor particuliere trainings- en opleidingsbureaus. Zie ook bekostigde mbo-scholen.  

Niveau. De mbo-scholen bieden onderwijs aan op vier niveaus, niveau 1 tot en met 4. Op niveau 1 worden assistentopleidingen aangeboden, op niveau 2 de basisberoepsopleidingen. Een niveau 3-opleiding is een vakopleiding en een niveau 4-opleiding is een middenkaderopleiding of specialistenopleiding.

NLQF. Nederlands kwalificatieraamwerk: een beschrijving van alle kwalificatieniveaus binnen Nederland met één begrippenkader. Zie ook EQF.

NT2. Nederlands als tweede taal.

O 

OER (Onderwijs en examenregeling). Regeling waarin de programmering van de onderwijsactiviteiten, inclusief de examinering, is verantwoord en vastgelegd. In de examenregeling staat informatie die de examenkandidaat nodig heeft om de examens te kunnen afleggen, gebaseerd op het examenplan en -reglement.

Onderwijsnummer. Met behulp van het onderwijsnummer kan de individuele onderwijsloopbaan van studenten worden gevolgd, ook wanneer zij die tussentijds onderbreken.

Onderwijsovereenkomst. Aan een inschrijving van een student ligt een onderwijsovereenkomst tussen het college van bestuur (bevoegd gezag) van een mbo-school en de student ten grondslag. De onderwijsovereenkomst regelt de rechten en verplichtingen van de school en de student. Deze hebben ze onderling afgesproken binnen de formele kaders.

Onderwijstijd. Studenten hebben recht op voldoende uren onderwijs (onderwijstijd) van goede kwaliteit. De overheid heeft daarom urennormen vastgesteld. Onderwijstijd is het aantal uren dat studenten onderwijs krijgen. Zie beroepsopleidende en beroepsbegeleidende leerweg voor de onderwijstijd per leerweg.

Opleidingsdomeinen. De zestien opleidingsdomeinen bestaan uit clusters van verwante kwalificatiedossiers. Deze clustering is gebaseerd op het werkelijke switchgedrag van mbo-studenten. Mbo-studenten kunnen instromen in een opleidingsdomein in plaats van direct voor één kwalificatiedossier te kiezen.

P 

Passend onderwijs. Passend onderwijs staat voor maatwerk in het onderwijs. Voor elk kind en iedere jongere onderwijs dat aansluit bij zijn of haar mogelijkheden en talenten. Ook de kinderen met een stoornis, ernstige ziekte of handicap. Zij kunnen extra hulp krijgen op een reguliere school of op een school voor speciaal onderwijs. Om te garanderen dat alle leerlingen onderwijs krijgen dat bij hen past, wordt per 1 augustus 2014 de zorgplicht ingevoerd. Scholen en schoolbesturen worden dan verplicht te zorgen voor een passende onderwijsplek en passend onderwijs voor elke leerling.

Portfolio. Gevalideerde verzameling van bewijsstukken van verworven competenties op individueel niveau.

Post-initieel onderwijs. Onderwijs dat kinderen volgen vanaf het moment dat ze leerplichtig worden tot het moment dat zij de arbeidsmarkt opgaan. Het onderwijs dat zij later kunnen volgen wordt post-initieel onderwijs genoemd.

Praktijkopleider. Begeleider op de leerwerkplek.

Praktijkovereenkomst. Deze overeenkomst bevat de afspraken over de stage zoals deze vastgelegd zijn tussen student, school en leerbedrijf. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om afspraken over de begeleiding en beoordeling.

Proeve van bekwaamheid. Een kwalificerende beoordeling in een realistische context (authentiek of simulatie) waarbij de deelnemer kan aantonen dat hij kerntaken met bijbehorende werkprocessen op het vereiste beheersingsniveau (beginnend beroepsbeoefenaar), in samenhang en op de juiste wijze uitvoert. Kenmerkend is het geïntegreerd beoordelen van kennis, houding en vaardigheden (competentiegericht).

Prof2010. Prof2010 ondersteunt mbo-scholen bij de professionalisering van medewerkers in de mbo-sector.

Professioneel Statuut. De MBO Raad en de onderwijsvakorganisaties zijn een Professioneel Statuut overeengekomen. Het statuut richt zich op de permanente verbetering van de professionaliteit van het personeel in de mbo-sector. Daarnaast wordt de betrokkenheid van docenten bij het beleid in de school versterkt door een aantal extra advies- en instemmingsbevoegdheden toe te kennen aan de ondernemingsraad. Deze betrokkenheid wordt extra geborgd door afspraken binnen de scholen over het werkoverleg. Met het Professioneel Statuut worden ook de afspraken uit het Convenant Aktieplan Leerkracht geconcretiseerd om de professionele ruimte van de docent te waarborgen.

Profieldeel. Onderdeel van de herziene kwalificatiedossiers (vanaf 1 augustus 2016). Deel van het kwalificatiedossier waarin de specifieke onderdelen van een kwalificatie, die niet gelden voor alle kwalificaties in het kwalificatiedossier, beschreven staan. Het profiel bestaat uit beroepsgerichte taken.

Q 

Q-Placements. Europees project gericht op de kwaliteitsverbetering van de bpv.

R 

Raad van toezicht. Orgaan, verbonden aan een mbo-school, met als taak toezicht te houden op het beleid van het college van bestuur van de school en dit college met raad ter zijde te staan.

Referentieniveaus taal en rekenen. Met zogenaamde referentieniveaus worden voor alle onderwijsniveaus de eisen voor taal en rekenen vastgesteld. Op vier momenten in de schoolloopbaan van leerlingen zijn referentiebeschrijvingen opgesteld. Voor elk moment is een fundamenteel niveau geformuleerd (F dat haalbaar wordt geacht voor het merendeel van de leerlingen) en een streefniveau (S dat gericht is op de leerlingen/studenten die meer aankunnen). Studenten die in 2013-2014 examen doen, krijgen voor het eerst te maken met de referentieniveaus.

Roc. Regionaal opleidingencentrum. School die middelbaar beroepsonderwijs en volwasseneneducatie verzorgt. Middelbaar beroepsonderwijs in de sectoren techniek, zorg en welzijn en economie bereidt deelnemers voor op een breed aantal beroepen.

Rookvrij schoolterrein. Een rookvrij schoolterrein is een terrein waar helemaal niet gerookt mag worden. De omgeving is rookvrij voor alle studenten, medewerkers en bezoekers, zonder aparte rookzone of andere uitzonderingen.

S 

School ex. Met het School ex-programma wordt gestimuleerd dat examenkandidaten in het middelbaar beroepsonderwijs na het behalen van hun diploma een jaar langer doorleren om jeugdwerkloosheid te voorkómen en hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Daarnaast is het doel om gediplomeerde deelnemers die besluiten niet door te leren en die nog geen baan hebben, door te geleiden naar het UWV WERKbedrijf voor ondersteuning bij het vinden van een baan.

Sectorkamer. In de sectorkamers bij SBB bespreken onderwijs en sociale partners in paritair verband de sectorale (aansluitings)vraagstukken voor kwalificeren en examineren, beroepspraktijkvorming en doelmatigheid. Deze sectorkamers zijn in de plaats gekomen van de paritaire commissies van de kenniscentra. Er is een directe verbinding tussen de sectorkamers van SBB en de bedrijfstakgroepen van de MBO Raad.

Specialistenopleiding. Opleidingen in het mbo kennen vier niveaus. De specialistenopleiding is de vierde van de vier kwalificatieniveaus (samen met de middenkaderopleiding). Om een specialistenopleiding te kunnen volgen, moet met goed gevolg een vakopleiding (niveau 3, 2-4 jaar) zijn gevolgd. De specialistenopleiding duurt dan nog 1-2 jaar.

Simulatie. Geprepareerde examenomgeving, bijvoorbeeld in een praktijklokaal op school. Deze omgeving is een simulatie binnen omstandigheden zoals in de beroepspraktijk, maar die door manipulatie (bijv. een opzettelijk gecreëerde storing, of de inzet van acteurs) afwijkt van de beroepspraktijk in de bpv, die aan de wetten van het toeval voldoet.

Stage. Zie bpv (beroepspraktijkvorming).

Startkwalificatie. Het minimale niveau dat nodig is om voldoende toegerust de arbeidsmarkt te betreden en om zich gedurende de beroepsloopbaan verder te kunnen ontwikkelen. Dit niveau komt overeen met het niveau van degenen die een basisberoepsopleiding (niveau 2) hebben gevolgd bij een mbo-school.

Stay In. Europees project over het voorkomen van voortijdig schoolverlaten. 

T 

Toezichtkader. Document waarin de Inspectie van het Onderwijs aangeeft hoe zij toezicht houdt op de kwaliteit van het onderwijs en de examinering, welke kwaliteitseisen zij daaraan stelt en hoe zij op basis daarvan tot een oordeel komt.

U 

V 

Het Vakcollege. De opleiding van een vakcollege is een leerroute binnen het vmbo en mbo, waarbij een student in zes jaar een diploma op mbo-niveau 2 behaalt. De student wordt opgeleid tot vakman of vakvrouw met een stevig accent op de praktijk en een nauwe verbinding met het bedrijfsleven.

Vakopleiding. Opleidingen in het mbo kennen vier niveaus. De vakopleiding is de derde van de vier kwalificatieniveaus. De opleiding leidt op tot zelfstandig beroepsbeoefenaar en duurt 2-4 jaar. Voor de opleiding moet een diploma voor de theoretische leerweg, de gemengde leerweg of de kaderberoepsgerichte leerweg of soms de basisberoepsgerichte leerweg zijn behaald. Ook is het mogelijk de opleiding te doen als een mbo-diploma op niveau 2 (basisberoepsbeoefenaar) succesvol is afgerond of als men een overgangsbewijs heeft van 3 naar 4 havo of vwo.

Vakscholen/vakinstellingen richten zich op het opleidingenaanbod voor één specifiek beroepenveld binnen één sector uit het middelbaar beroepsonderwijs zoals de scheepvaart en transport, de grafische- en designsector of de voedingsindustrie.

VM2. Experiment in het kader van de leergang vmbo-mbo2. In VM2 wordt de bovenbouw van de basisberoepsgerichte leerweg van het vmbo samengevoegd met een opleiding op mbo-niveau 2.

Vmbo. Voorbereidend middelbaar beroepsonderwijs. De term geeft aan dat scholen voor vmbo en/of mavo voorbereiden op een opleiding in het mbo.

Voortijdig schoolverlater. Een voortijdig schoolverlater is een uitstromer jonger dan 23 jaar zonder een havo-, vwo- of mbo-niveau 2/3/4 diploma (zie ook startkwalificatie). 

W

WEB. Wet educatie en beroepsonderwijs: regelt het middelbaar beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie.

WOT. Wet op het onderwijstoezicht.

X 

Y 

Z 

Zorgadviesteam. In een Zorgadviesteam, ook wel Zorg- en adviesteam of ZAT genoemd, werken diverse zorgverleners in en om de school samen om te zorgen dat elke jongere een diploma haalt.

top