Uitkomsten notaoverleg strategische agenda hoger onderwijs en onderzoek 2015-2025

06-01-2016

Op 14 december sprak de Tweede Kamer over de strategische agenda hoger onderwijs en onderzoek, die het ministerie van OCW begin juli publiceerde. Met deze strategische agenda zet minister Bussemaker de koers uit voor het hoger onderwijs voor de komende tien jaar. Over een aantal thema’s hebben Kamerleden moties ingediend. De voor het mbo relevante aangenomen moties worden hieronder genoemd.

Aangenomen moties

Twee aangenomen moties hebben betrekking op LOB en matching bij de doorstroom naar het hbo:

  • De regering moet het effect van de studiekeuzecheck en de matchingsprocedures die sinds 2015 verplicht zijn, versneld onderzoeken op effectiviteit (motie CDA).
  • De regering moet, samen met de MBO Raad en de Vereniging Hogescholen, de samenwerking rond de doorstroom tussen mbo-scholen en hogescholen op regionaal niveau stimuleren (motie PvdA).

Twee andere aangenomen moties gaan over flexibilisering van het hoger onderwijs, een beweging die ook zichtbaar is in het mbo (gezamenlijke moties PvdA en VDD):

  • De regering moet in het hoger onderwijs de mogelijkheden om modules te certificeren, verkennen.
  • ​Bij de Universiteit van Amsterdam en de Hogeschool van Amsterdam gaat een experiment van start, waarbij studenten vakken of delen van opleidingen kunnen afnemen (betalen).
Afbeelding minister Bussemaker
minister Bussemaker

    Aangehouden motie

    Het CDA deed in een motie het verzoek aan het kabinet ook docenten in het niet-bekostigd onderwijs, zzp’ers en werknemers in het bedrijfsleven die willen doorstromen naar het onderwijs, gebruik te laten maken van de lerarenbeurs. Deze motie is aangehouden.

    Samenwerking tussen mbo en hbo

    De motie over regionale samenwerking tussen mbo en hbo sluit goed aan bij de initiatieven die mbo-scholen en hogescholen al in diverse regio’s nemen om samen invulling te geven aan de keuzedelen ‘doorstroom mbo-hbo’. Dit voorjaar organiseert de MBO Raad een bijeenkomst waarin regio’s kunnen kennisnemen van elkaars initiatieven.