‘Solide basis voor goed bestuur in het mbo’

14-02-2019

“Goed bestuur in het mbo betekent dat scholen zich steeds meer bezighouden met goed netwerkbestuur,” stelt Edith Hooge als voorzitter namens de Monitoringscommissie Branchecode goed bestuur in het mbo. Op 14 februari verscheen de eindrapportage van de commissie, met de conclusie dat er een solide basis voor goed bestuur in het mbo ligt. Een goed moment om met Hooge terug te blikken op de werkperiode 2015-2018 van de commissie en de veranderende context waarbinnen scholen opereren.

Illustratie uit eindrapport Monitoringscommissie
Illustratie uit eindrapport Monitoringscommissie

U heeft zich jarenlang bezig gehouden met goed bestuur in het onderwijs en de semi-publieke sector. De afgelopen vier jaar bent u voorzitter geweest van de onafhankelijke monitoringscommissie Branchecode goed bestuur. Wat is voor u de essentie van goed bestuur?

Edith Hooge: “Goed bestuur draait om het samenspel van bestuurders, leden van de medezeggenschap, toezichthouders en iedereen die betrokken is bij toezicht, bestuur en verantwoording in en om organisaties. Goed bestuur vraagt soms om letterlijke naleving van (spel)regels en normen, maar vaker om gepaste en passende rolopvatting, onderlinge relaties, houding en gedrag, op basis van principes. En voor dat laatste is 'het goede gesprek' nodig over wat gepast en passend is in de publieke sector - op een school, bij een woningcorporatie, museum of ziekenhuis.”

De monitoringscommissie heeft nu haar eindrapport opgemaakt. Dit rapport, maar ook het bijbehorende essay van Martijn Nolen, gaat in op de veranderende maatschappelijke context van het mbo: scholen zijn steeds nadrukkelijker onderdeel van een netwerk en hebben te maken met ‘verticale’ sturing vanuit de overheid. Hoe is dat volgens u van invloed op goed bestuur in het mbo?

Hooge: “Mbo-scholen geven onderwijs steeds meer vorm in afstemming of in samenwerking met veel verschillende organisaties: vo-scholen, hogescholen, collega mbo-scholen, het beroepenveld, gemeenten en provincie en organisaties in het sociale domein. Dat is een nieuwe ontwikkeling. Het  betekent dat het goed bestuur in het mbo steeds meer neerkomt op goed netwerkbestuur. Dat is niet eenvoudig omdat netwerken anders gestructureerd zijn. Ze zijn moeilijker te overzien, dynamischer, minder hiërarchisch, informeler en losser gestructureerd. Tegelijkertijd is de centrale overheid meer gaan sturen de afgelopen jaren via sectorwetgeving (toelatingsrecht) en zorgplichten het mbo. Goed bestuur in het mbo betekent dus eigenlijk: de kunst van het combineren van diffuse netwerksturing binnen het stramien van verticale overheidssturing.”

Wat is de belangrijkste conclusie van de commissie als we kijken naar de ontwikkeling van goed bestuur in het mbo over de afgelopen 4 jaar? Wat zijn de positieve ontwikkelingen en wat zijn de aandachtspunten?

Hooge: “In het algemeen kunnen we concluderen dat er de afgelopen jaren een solide basis voor goed bestuur in het mbo is gelegd. Zo is er bijvoorbeeld op bijna alle mbo-scholen een integriteitscode, evalueert het intern toezicht het eigen functioneren en sturen onderwijsbestuurders vanuit waarden. Tegelijkertijd blijft er ruimte voor verbetering. De ‘horizontale dialoog’ verdient verbreding en versterking: bestuurders mogen de wensen en behoeften van meer externe stakeholders meewegen in hun besluitvorming en verantwoording. Juist omdat ze met een steeds groter netwerk te maken hebben. Ook de rol, positie en het functioneren van studentenraden en ondernemingsraden kan beter.”

Het is voor de komende jaren aan de MBO Raad om regelmatig verslag te doen aan samenleving en politiek van de praktijk van goed bestuur op en om mbo-scholen én in de sector als geheel, inclusief van het leren en het goede gesprek hierover
Edith Hooge

Scholen leggen in hun Geïntegreerd Jaarverslag verantwoording af over hoe zij zich aan de branchecode houden. De branchecode is onder bestuurders en toezichthouders algemeen bekend. In het eindrapport geeft de commissie aan dat andere stakeholders in de organisatie, zoals bijvoorbeeld medezeggenschap, minder bekend zijn met de branchecode. Heeft een branchecode ook waarde voor andere stakeholders, buiten bestuur en toezicht?

Hooge: “Als commissie stellen we voor om met een intentionele governancecode te gaan werken in plaats van de huidige branchecode. In zo’n nieuwe code zijn principes opgenomen over de bedoeling, waarden, ambities van goed bestuur bij mbo-scholen. Deze principes kunnen ook ‘op maat’ worden toegepast. Dat wil zeggen: rekening houdend met de specifieke situatie en context van de mbo-school.”
“Zo’n code is van grote waarde voor andere stakeholders buiten bestuur en toezicht. Het is een hulpmiddel voor het leren, reflecteren en ‘het goede gesprek’ over goed bestuur op mbo-scholen en binnen de sector, door alle partijen die er betrokken bij zijn. Dus ook studentenraden, ondernemingsraden en externe belanghebbenden in de netwerken van de mbo-scholen.”

Welke aandachtspunten geeft de monitoringscommissie verder mee aan bestuurders en toezichthouders in het mbo en welke rol kan de MBO Raad hierin volgens de commissie vervullen?

Hooge: “Het is voor de komende jaren aan de MBO Raad om regelmatig verslag te doen aan samenleving en politiek van de praktijk van goed bestuur op en om mbo-scholen én in de sector als geheel, inclusief van het leren en het goede gesprek hierover. Dit kan bijvoorbeeld in een vierjaarlijkse publicatie onder de titel ‘De staat van goed bestuur in het mbo’. Hiermee lost het mbo een deel van de verantwoordingsplicht naar de politiek en samenleving in.”

Edith Hooge is hoogleraar Onderwijsbestuur bij TIAS, Universiteit van Tilburg en sinds januari 2019 voorzitter van de Onderwijsraad.