Platform Onderwijs2032 brengt Hoofdlijn advies uit

05-10-2015

Welke kennis en vaardigheden moeten leerlingen in het basisonderwijs en het voortgezet onderwijs (vo) leren om klaar te zijn voor hun toekomst? Met die vraag lanceerde staatssecretaris Dekker van OCW in november 2014 een nationale brainstormsessie over de toekomst van het basisonderwijs en het vo in Nederland.

Duizenden tweets en veel ideeën verder begon in februari 2015 een nieuwe fase. De staatssecretaris riep het Platform Onderwijs2032 in het leven, dat een advies over het onderwijs aan het kabinet moet gaan uitbrengen. Het platform heeft de hoofdlijnen van dit advies afgelopen week naar buiten gebracht. Op basis van de reacties hierop rondt het Platform Onderwijs2032 eind dit jaar zijn definitieve advies aan het kabinet af.

Differentiatie en maatwerk in het onderwijs

Het Platform Onderwijs2032 ziet in het onderwijs van de toekomst onder meer nadrukkelijk ruimte voor differentiatie en maatwerk. Het platform vindt dat leerlingen de vaste kern van kennis en vaardigheden op verschillende niveaus moeten kunnen afronden. Ook stelt het Platform Onderwijs2032 dat het onderwijs van de toekomst alle leerlingen moet prikkelen om hun capaciteiten niet alleen cognitief in te zetten, maar ook creatief en fysiek. Leraren helpen leerlingen te ontdekken waar ze goed in zijn en wat ze leuk vinden. Zo krijgen leerlingen meer mogelijkheden om wat ze leren in te vullen op een manier die bij ze past.

Relatie met manifest ‘Het mbo in 2025’

Daar waar het Platform Onderwijs2032 pleit voor meer differentie en maatwerk in het onderwijs, ziet de MBO Raad een inhoudelijke relatie met het manifest ‘Het mbo in 2025’. Daarin staat onder meer dat er sprake moet zijn van effectief voorsorteren op het beroepsonderwijs. Dat stelt eisen aan het funderend onderwijs (basisonderwijs en vo). Het uitstippelen van goede routes door het onderwijs begint al in het basisonderwijs. Daar is meer evenwicht nodig tussen cognitieve vaardigheden en praktische vaardigheden. Het aanleren van de eerste praktische vaardigheden helpt de leerlingen bij een brede ontwikkeling. Het is voor veel leerlingen te vroeg om op twaalfjarige leeftijd al een keuze te moeten maken tussen een stroom avo en een stroom beroepsonderwijs. Voor hen is het beter tot bijvoorbeeld 15 jaar een gedifferentieerd funderend onderwijs te hebben, waarin zij in staat worden gesteld:

  • hun brede algemene ontwikkeling voort te zetten;
  • hun cognitieve en/of praktische talenten maximaal te ontplooien;
  • zich goed voor te bereiden op vervolgkeuzes.

Het is daartoe wenselijk het vmbo en havo meer aan elkaar te verbinden, zodat ze beide kunnen voorsorteren op zowel mbo als hbo. Het combineren van elementen uit beide routes of het bieden van mogelijkheden om in het havo aandacht te besteden aan beroepsvaardigheden en –voorbereiding zijn oplossingen binnen het bestaande onderwijsbestel die het overwegen waard zijn. Een partieel stelseldoorbrekende en nog veel betere optie is het integreren van de hogere niveaus in het vmbo en het havo. Dat is ook goed mogelijk, omdat het profiel van de oude mavo-leerling sterk overeenkomt met dat van de huidige havo-leerling.

Voor de studenten leidt dit tot meer gedifferentieerde trajecten. Examens kunnen op verschillende niveaus worden afgelegd. Afhankelijk van de gevolgde vakken en behaalde resultaten ontstaan flexibele doorstroommogelijkheden naar mbo- en hbo-opleidingen. Zo wordt de aansluiting tussen het funderend onderwijs en het beroepsonderwijs verbeterd. Gedifferentieerde doorstroomrechten bieden betere mogelijkheden voor goede studie- en loopbaanadvisering en maken, na een periode van oriëntatie, een specifiek vervolgtraject voor iedere student mogelijk.

 Platform Onderwijs2032 en MBO Raad onderhouden de komende tijd goed contact met elkaar.